De OR heeft op grond van het adviesrecht (artikel 25 WOR) het recht te adviseren bij belangrijke financieel-economische en bedrijfsorganisatorische besluiten van de ondernemer. Als het besluit afwijkt van het advies van de OR, geldt een opschortingstermijn van een maand. De ondernemingsraad heeft dan bedenktijd om tegen het besluit in beroep te gaan.

Na het advies van de ondernemingsraad over een belangrijke financiëel-economische of bedrijfsorganisatorische aangelegenheid, neemt de ondernemer een besluit. Wanneer dit besluit afwijkt van het advies van de OR, dan mag de ondernemer gedurende een maand niet overgaan tot uitvoering van zijn besluit. Dit heet een opschortingstermijn. Deze maand gaat in nadat de ondernemer de OR schriftelijk heeft ingelicht over zijn besluit.

In beroep gaan of niet?

Tijdens de opschortingstermijn kan de OR zich beraden om tegen het besluit van de ondernemer in beroep te gaan bij de Ondernemingskamer (artikel 26 WOR). Daarbij heeft de OR de bijstand van een procureur nodig. De ondernemingsraad kan afstand doen van de gehele opschortingstermijn of van een deel hiervan (artikel 25 lid 6 WOR). Wanneer de OR heeft besloten niet in beroep te gaan tegen het besluit van de ondernemer, vervalt de noodzaak van de opschortingstermijn.

Ondernemersbesluit moet wachten

Als de ondernemer tijdens de opschortingstermijn wel overgaat tot uitvoering van zijn besluit, dan is dit een overtreding van de Wet op de economische delicten (WED). Hij kan via een kort geding worden gestopt. Een kort geding wordt aangespannen bij een spoedeisend belang. Daarbij is de bijstand van een advocaat verplicht. De OR maakt het kort geding aanhangig bij de President van de Rechtbank.