Samenvatting
Dient de ondernemer de uitvoering van het reorganisatiebesluit met bedoelde inzet van vrijwilligers te staken, omdat het in strijd is met de cao? (ECLI:NL:GHARL:2016:9561, Hoger Beroep vonnis Kantonrechter Utrecht, 08 juni 2016 (ECLI:NL:RBMNE:2016:3052).

Uitspraak Hof: Het feit dat de ondernemer minder subsidie ontvangt brengt niet mede dat handhaving van de cao-bepaling over de inzet van vrijwilligers leidt tot gevolgen die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zouden zijn.


Situatie
Stichting de Bibliotheek Utrecht (Bibliotheek Utrecht) is lid van de Vereniging van Openbare Bibliotheken, welke vereniging aan werkgeverszijde partij is bij de cao Openbare Bibliotheken (cao OB). In art 48 van deze cao is bepaald dat inzet van vrijwilligers beperkt blijft tot een aanvulling op de professionele organisatie en niet ten koste gaat van de betaalde formatie van de professionele organisatie. Op 26 november 2015 heeft de bestuurder de OR verzocht advies in de zin van art 25 WOR uit te brengen over het voornemen van Bibliotheek Utrecht tot het doorvoeren van een reorganisatie. De OR heeft negatief geadviseerd over de reorganisatie.

Eind maart 2016 heeft Bibliotheek Utrecht een aanvang gemaakt met de uitvoering van het reorganisatiebesluit. FNV vordert onder meer dat Bibliotheek Utrecht wordt veroordeeld om art 48 van de cao OB na te leven door de uitvoering van het reorganisatiebesluit te staken. Kantonrechter heeft geoordeeld dat Bibliotheek Utrecht in strijd met art 48 lid 3 van de cao OB handelt door werkzaamheden die thans of tot voor kort door bibliotheekmedewerkers in haar dienst worden of werden verricht, te laten uitvoeren door vrijwilligers. Heeft de Bibliotheek veroordeeld om cao na te leven op straffe van verbeurte van een dwangsom van €1000,- per dag.

Hof
Het hof overweegt - zoals ook de kantonrechter (in hoger beroep onbestreden) heeft overwogen - dat de bepaling van artikel 48 van de voornoemde cao op zichzelf niet in de weg staat aan een reorganisatie van de Bibliotheek en evenmin aan het doen vervallen van bepaalde functies, inkrimping van de formatie van bibliotheekmedewerkers, het boventallig verklaren van werknemers van de Bibliotheek en de inzet van vrijwilligers.

Wel staat de bepaling van artikel 48 onder 3 van de cao in de weg aan een zodanige inzet van vrijwilligers dat deze ten koste gaat van de betaalde formatie van de professionele organisatie. Dit brengt mede dat vrijwilligers niet mogen worden ingezet in functies die thans worden of tot voor kort (in de oude organisatie) werden verricht door daarvoor betaalde werknemers. De onderhavige tekst van artikel 48 lid 3 van de cao is duidelijk en bij gebreke van een andersluidende bij de cao behorende toelichting, kan aan de bewoordingen van deze bepaling geen andere betekenis worden toegekend.

Het feit dat de Bibliotheek een (door de OR goedgekeurd) beleid met betrekking tot vrijwilligers heeft, verwoord in de notitie vrijwilliger in de dienstverlening, kan aan het hiervoor overwogene niet afdoen: het staat de Bibliotheek vrij om gebruik te maken van vrijwilligers, maar niet om die vrijwilligers werkzaamheden te laten verrichten die thans worden of tot voor kort (in de oude organisatie) werden verricht door betaalde werknemers. Ook het door de Bibliotheek aangevoerde feit dat de Bibliotheek eerst het besluit tot reorganisatie en inkrimping van de formatie van bibliotheekmedewerkers heeft genomen en eerst daarna heeft besloten tot de inzet van meer vrijwilligers kan niet leiden tot een ander oordeel. De vrijwilligers mogen immers - zoals hiervoor is overwogen - niet worden ingezet voor werkzaamheden die tot voor kort (vóór de reorganisatie) door betaalde werknemers werden verricht.

Het door de Bibliotheek aangevoerde feit dat in de steeds verdergaande digitale samenleving de kerntaak van de bibliotheek verschuift en dat de Bibliotheek daarop met de reorganisatie heeft ingespeeld, zou voor de partijen bij de cao misschien een reden kunnen zijn om hieraan bij volgende onderhandelingen aandacht te schenken, maar kan niet afdoen aan het feit dat de inzet van vrijwilligers voor werk dat thans wordt of tot voor kort werd verricht door betaalde werknemers van de Bibliotheek op grond van de thans geldende cao niet is toegestaan.

Het feit dat de Bibliotheek minder subsidie dan voorheen ontvangt brengt naar het oordeel van het hof niet mede dat handhaving van de bepaling van artikel 48 onder 3 van de cao dat vrijwilligers niet mogen worden ingezet voor werkzaamheden die tot heden worden of tot voor kort werden verricht door betaalde werknemers, leidt tot gevolgen die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn en daarom op de voet van artikel 6:248 lid 2 Burgerlijk Wetboek buiten toepassing moet blijven. Overige grieven falen.

Datum uitspraak:        29 november 2016
Rechterlijk College:     Hof Arnhem-Leeuwarden, 29 november 2016
Partijen:                       Stg de Bibliotheek Utrecht / FNV
Vindplaats:                  ECLI:NL:GHARL:2016:9561, Hoger Beroep vonnis Kantonrechter Utrecht, 08 juni 2016 (ECLI:NL:RBMNE:2016:3052).

Sprengers Advocaten Utrecht