Samenvatting
Moet werkgever terugschaling in loon ongedaan maken, omdat het in strijd zou zijn met het sociaal plan en met nadere afspraken die met werkneemster zijn gemaakt en neergelegd in een annex bij haar arbeidsovereenkomst? (ECLI:GHSHE:2016:1831, ECLI:NL:GHSHE:2016:3741 (Einduitspraak) AR 2016-0950).


Uitspraak Hof Den Bosch: Nee, het voorstel om het loon terug te brengen tot dat wat behoort bij de doorwerkneemster feitelijk uitgevoerde functie volgt uit haar eigen keuze om de opleiding tot Woonassistent A niet te volgen. Dat voorstel is begrijpelijk en niet onredelijk, noch zijn de specifieke omstandigheden die werkneemster in het bijzonder betroffen zodanig dat van haar in redelijkheid niet kon worden verlangd dat zij het voorstel zou aanvaarden.

Situatie

Werkneemster is in dienst van de stichting als medewerkster huishoudelijke dienst. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Verpleeg- en verzorgingshuizen en Thuiszorg van toepassing. Werkneemster was ingedeeld in functiegroep (FWG) 15. Begin september 2010 heeft de stichting aangekondigd dat in het kader van de implementatie van de reorganisatie en in verband met de slechte financiële situatie van de stichting de medewerkers huishoudelijke dienst terug geschaald zullen worden van FWG 15 naar FWG 10. De stichting heeft een memo gestuurd waarin zij de verplichting op zich neemt om haar werknemers met een garantiesalaris een functie op het oude salarisniveau aan te bieden, zodra daar een vacature voor zou zijn. In mei 2011 heeft de stichting werkneemster twee opties voorgelegd, scholing tot woonassistent A, of, indien geen belangstelling voor de scholing bestaat, inschaling vanaf 1 juli 2011 als medewerker schoonmaak FWG 10.  Werkneemster weigert omscholing naar deze functie. zij stelt dat terugschaling in strijd is met het sociaal plan en met de nadere afspraken die met haar zijn gemaakt en neergelegd in een annex bij haar arbeidsovereenkomst. De Kantonrechter heeft de vordering van werkneemster afgewezen en geoordeeld dat van werkneemster gevergd kon worden dat zij om het zelfde loon te behouden de opleiding tot Woonassistent A zou doorlopen.

Hof
Noch enige cao, noch enig Sociaal Plan met cao-status, noch enig specifiek beding als bedoeld in artikel 7:613 BW biedt aan de stichting de mogelijkheid om de met werkneemster overeengekomen arbeidsvoorwaarden eenzijdig te wijzigen. De in het tussenvonnis van 14 februari 2013 bedoelde maatstaf is door de Hoge Raad ontwikkeld in de arresten van 26 juni 1998 (ECLI: NL:HR:1998:ZC2688, Van der Lely/Taxi Hofman) en van 11 juli 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD1847, Stoof/Mammoet). In het geval van een wijziging van de arbeidsvoorwaarden door de werkgever brengen de eisen van goed werknemerschap met zich mee dat de werknemer op redelijke voorstellen van de werkgever, verband houdende met gewijzigde omstandigheden op het werk, in het algemeen positief behoort in te gaan en dergelijke voorstellen alleen mag afwijzen wanneer aanvaarding ervan redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd. Zulks wordt niet anders indien het zou gaan om gewijzigde omstandigheden die in de risicosfeer van de werkgever liggen. De beoordeling van de vraag of een dergelijke wijziging door de werknemer aanvaard moet worden dient plaats te vinden aan de hand van alle relevante omstandigheden van het geval.

Om in verband met de reorganisatie de functie van Woonassistent in te voeren en een onderscheid te maken tussen de Woonassistent en de Medewerker schoonmaak is een beleidsmatige beslissing waarvan niet is gebleken dat een redelijk bestuur van een organisatie als de stichting die niet had kunnen nemen. Gelet op de inhoud van beide functies, zoals weergegeven in het Reorganisatieplan en de met die functies samenhangende verantwoordelijkheden, was het niet onredelijk om de functie van Medewerker schoonmaak op een lager loonniveau in te schalen dan die van Woonassistent A.

Eén en ander is met de OR besproken op 21 december 2010 en die heeft ingestemd met de analyse die heeft geleid tot een functiedifferentiatie. Werkneemster heeft herhaaldelijk het aanbod gekregen om een opleiding te volgen en zo in de functie van Woonassistent A op het bestaande loonniveau te kunnen blijven werken. Dat aanbod was in beginsel redelijk, omdat de functie van Woonassistent meebrengt dat de stichting daar een zekere opleiding voor mag verlangen. Van de inhoud van de opleiding is niet gebleken dat in redelijkheid viel te verwachten dat een medewerkster als werkneemster die niet succesvol zou kunnen afronden. Zij heeft die opleiding niet gevolgd, maar is werkzaam gebleven in de functie Medewerker huishoudelijk dienst. Naar het hof begrijpt is deze functie na de reorganisatie aangeduid als Medewerker schoonmaak. Die functie is ingedeeld in FWG 10. Het voorstel om het loon dan terug te brengen tot dat wat behoort bij de doorwerkneemster feitelijk uitgevoerde functie volgt dan in principe uit haar eigen keuze om de opleiding tot Woonassistent A niet te volgen. Dat voorstel is begrijpelijk en niet onredelijk. Rest de vraag of de specifieke omstandigheden die werkneemster in het bijzonder betroffen maken dat van haar in redelijkheid niet kon worden verlangd dat zij het voorstel van de stichting (met inbegrip van de voorwaarde dat zij voor loonbehoud een opleiding zou volgen) zou aanvaarden. Volgens het hof is dit niet het geval.

Datum Uitspraak:        10 mei 2016
Rechterlijk College:     ’s-Hertogenbosch
Partijen:                        Werkneemster / Stichting X
Vindplaats:                   ECLI:GHSHE:2016:1831, ECLI:NL:GHSHE:2016:3741 (Einduitspraak) AR 2016-0950

Sprengers Advocaten Utrecht